het Nijsse orgel                                                                                                                                                                                     

René Nijsse in Oud-Sabbinge hield zich aanvankelijk bezig met de bouw van kleine orgels en restauratiewerk. Vervolgens waagde hij de stap naar grotere projecten. Hij bouwde orgels voor kerken in onder meer Goes, Maasdijk en Dordrecht. De kwaliteit hiervan overtuigde de commissie die op zoek was naar een nieuw orgel voor De Open Hof in Soest. Nijsse kreeg in 1995 daarvoor de opdracht. Voortbordurend op zijn eerdere werk en rekening houdend met de wensen en mogelijkheden van De Open Hof, leverde hij maatwerk van bijzondere allure.

Nijsse baseerde zich op de principes van het Hollandse orgel uit de 17e-18e eeuw: een helder, levendig en evenwichtig klankbeeld en geschiktheid voor zowel begeleiding van de gemeentezang als voor literatuurspel. Dat teruggrijpen op die historische principes is de vrucht van de herbezinning die na 1945 op gang kwam. Het luidde het einde in van wat in de orgelbouw als de "vervalperiode" te boek staat. De afgelopen decennia is Nederland een aantal fraaie instrumenten rijk geworden en het Nijsse-orgel in Soest kan zich in deze rij scharen.

Ondanks de bescheiden afmetingen biedt het optimale gebruiksmogelijkheden. Eigenlijk is het Nijsse-orgel te vergelijken met een volwaardig hoofdwerk met aangehangen pedaal van een groot 18e-eeuws orgel. Het heeft een volledig prestantenplenum op achtvoetbasis, een volledig fluitenkoor op zestienvoetbasis en een trompet 8’. De dertien stemmen zijn verdeeld over twee manualen en pedaal. Sinds de 17e eeuw worden registerdelingen toegepast voor bijvoorbeeld de mixtuur, trompet en manuaalkoppel. In het Nijsse-orgel zijn ook de nasard en terts van het tweede manuaal gedeeld, waardoor deze stemmen zowel solistische als een plenumfunctie kunnen vervullen. De registers van het tweede manuaal vormen tezamen een cornet, de "zangleider".

Spelers roemen de kwaliteit van het mechanische gedeelte en de daaruit voortvloeiende aangename speelaard, maar zeker ook voor de luisteraar is het Nijsse-orgel in Soest bepaald uitnodigend.

Het uiterlijk maakt door het naturel eikenhout en de klassieke verhoudingen een rustige indruk, passend bij de inrichting van de kerkzaal. De enige versiering is het houtsnijwerk in het front, voorstellende de duif, zon en regenboog – symbolen die staan voor vrede, gerechtigheid en heelheid van de schepping, de thematiek van het Conciliair Proces. Dit houtsnijwerk is ontworpen en uitgevoerd door Leo Weusten te Soest.

 

Hoofdwerk:                                    Nevenwerk:                                  Pedaal:

Bourdon 16’                                            Holpijp 8’                                                Subbas 16’

Prestant 8’                                               Open fluit 4’                                            Prestant 8’

Roerfluit 8’                                               Nasard B / D 3’                                      Trompet 8’

Octaaf 4’                                                   Fluit 2’                                                     

Quint 3’                                                     Terts B / D  1 3/5'                                  Tremulant gehele werk

Octaaf 2’                                                                                                                     Manuaalkoppel B / D

Mixtuur B / D IVst.                                                                                                    Pedaal-Hoofdwerk

Trompet B / D 8’                                                                                                       Pedaal-Nevenwerk

 

Stemming: gemodificeerde Werckmeister III. Modificatie: b is getempereerd tussen e en fis

Winddruk 66 mm WK

De pedaalregisters zijn alle transmissies van het Hoofdwerk

Adviseur was Jean Telder, Soest

             

Recensies in de vakbladen

ORGANIST EN EREDIENST, maandblad van de Gereformeerde Organisten Vereniging

april 1998

"Wat maakt het instrument tot een goed gemeentezangorgel en wat heeft het te bieden als medium voor literatuurspel? Misschien zijn Witte’s criteria ‘krachtig en voornaam’ zo gek nog niet, wanneer met tenminste niet voor ‘krachtig’ leest: ‘alles overheersend’. Het Nijsse-orgel voldoet zeker aan beide criteria, maar voornaamheid wint het in De Open Hof zeker van kracht ….. Het nieuwe Nijsse-orgel is een uitnodigend instrument voor zowel speler als luisteraar" (Wim Diepenhorst)

DE ORGELVRIEND, februari 1998

"Ook de klank van het orgel is verrassend. Het is boeiend een orgel te verkennen van een mij tot nu toe onbekende bouwer. Nog boeiender wordt het wanneer het instrument bij elk opengetrokken register positieve verrassingen in petto heeft….. René Nijsse bouwde in Soest een orgel dat er niet alleen wezen mag, maar hij zette met dit instrument zijn orgelmakerij definitief op de orgelkaart van Nederland. Wanneer blijkt dat Nijsse de laagste inschrijver was, dan is dit compliment dubbel verdiend ….. De ereprijs mag hij er nu bijtellen in de vorm van deze lovende recensie" (Willem van Twillert)

HET ORGEL, 1999, nummer 1

"In het orgel in De Open Hof is gestreefd naar evenwicht tussen klankkleur en gelijkwaardigheid in klanksterkte tussen zowel de verschillende registers als in de verschillende liggingen van een bepaald register. Dat is zeker gelukt…… Heel effectvol vond ik de gemodificeerde Werckmeister-III-stemming waarin het oplopen van de onzuiverheid in de tertsen langs de ‘kruisenkant’ van de kwintencirkel iets vertraagd is, zodat de terts g-h even weinig zweeft als f-a en c-e" (Peter van Dijk)