Concert 25 juni 2006

door Marianne Hoek, blokfluit en Frank van Wijk, orgel
MUZIEK VAN DE FAMILIE BACH
Bach en zonen
Praeludium in G (BWV 541) ‘pro Organo pleno’– Johann Sebastian Bach
(1685-1750)
Johann Sebastian Bach
Sonate in a (BWV 1020) voor blokfluit en orgel – Johann Sebastian Bach
Allegro-Adagio-Largo
Sonate in F (Falck 50/g) voor blokfluit en orgel – Wilhelm Friedemann Bach (1710-1784)
Adagio-Allegretto-Allegro assai
Sonate in a (Wq 70/4) ‘per il Organo solo’ - Carl Philipp Emanuel Bach (1714-1788)
Allegro assai-Adagio-Allegro
Sonate in G (Wq 85) voor blokfluit en orgel – Carl Philipp Emanuel Bach
Allegretto-Andantino-Allegro
Sonate in D (Op.16 no.1) voor blokfluit en orgel – Johann Christian Bach (1735-1782)
Allegro assai-Andante grazioso
Fuga in G (BWV 541) ‘pro Organo pleno’ – Johann Sebastian Bach
PROGRAMMA-TOELICHTING
Bach met zonen:
Bach en zonen
In het huidige standaardwerk ‘Johann Sebastian Bach; the learned musician’ (2000) vraagt de auteur Christoph Wolff zich af of Bach niet een overijverige en overbezorgde vader is geweest. Zo investeerde hij in oudste zoon Wilhelm Friedemann, door hem zijn muzikale opleiding te gevenen voor hem in 1720 het ‘Clavier-Büchlein’ samen te stellen. In 1733 schreef hij voor hem zelfs met eigen handtekening de sollicitatiebrief voor de organistenpost in de Sophienkirche te Dresden. Bach ging zo ver dat hij het auditiestuk voor Friedemann kopieerde, het
Preludium en Fuga in G, BWV 541, het werk dat hedenmiddag als hoekdelen van het programma klinkt. Ook voor Carl Philpp Emanuel wist hij door zijn muzikale en politieke connecties een baan te regelen bij het hof van Frederik de Grote. Bach-kenner Wolff schrijft dat Bach ‘alle reden had trots te zijn op zijn zoons, wat niet wil zeggen dat hij een makkelijke vader was’. Samenvattend stelt Wolff: ‘In ieder geval had Bach weinig redenen om met zijn zoons te ruzieën over muzikale zaken en artistieke overtuigingen, ook al gingen die allen muzikaal hun eigen weg. Misschien heeft hij hen daartoe zelfs wel aangespoord en heeft hij niet gewild dat zij zijn stijl zouden nabootsen. Dankzij de stijlverschillen is het wel duidelijk dat de zonen hun vaders ideaal van individualisme geheel onderschreven’.
Wilhelm Friedemann Bach
Wilhelm Friedemann
(Weimar 1710 - Berlijn 1784), organist en componist, Zijn algemene vorming kreeg
hij aan de Thomasschool in Leipzig en aan de universiteit aldaar, waar hij in
1729 als student in de rechten werd ingeschreven. In 1733 werd hij benoemd tot
organist van de Sophiakerk in Dresden. Hier ontstonden vele van zijn beste
composities, met name symfonieën, concerten en klavierwerken. In 1746
verwisselde hij deze positie voor die van ‘director musices’ aan de
Liebfrauenkirche te Halle. Zijn taak was omvangrijker dan die in Dresden: met
orgelspel en uitvoeringen van cantates moest hij de kerkmuziek verzorgen in de
drie hoofdkerken van de stad. Behalve het schoolkoor en het stadskoor stonden de
stadsmusici en het Collegium Musicum onder zijn leiding. Hij legde,
waarschijnlijk als gevolg van herhaaldelijke conflicten met het kerkbestuur, in
1764 zijn werk in Halle neer. In Berlijn gaf hij wat lessen en orgelconcerten,
schreef gelegenheidscomposities en verkocht af en toe een manuscript van zijn
vader, maar hij moest in steeds erger wordende armoede het leven slijten.
Carl Philpp Emauel Bach
Carl Philipp Emanuel
(Weimar 1714 - Hamburg. 1788), naar de steden waar hij werkte vaak de Berlijnse
of Hamburgse Bach genoemd, componist en klavecinist, tweede zoon van J.S. Bach,
ontving zijn schoolopleiding aan de Thomasschool in Leipzig en zijn muzikale
vorming van zijn vader. In 1738 kwam hij aan het hof van de latere Frederik de
Grote, die hem na zijn troonsbestijging in 1740 meenam naar Berlijn, waar hij
hofmusicus en -klavecinist werd. In deze kwaliteit trad hij regelmatig op als
begeleider van de vorst, die een verdienstelijk amateurfluitist was. Uit deze
Berlijnse jaren dateert zijn ‘Versuch über die wahre Art das Klavier zu
spielen ‘ (1753-1762), dat met de didactische werken van Quantz en Leopold
Mozart tot de belangrijkste bronnen voor de uitvoeringspraktijk van omstreeks
1750 behoort. In 1768 werd hij als opvolger van Telemann Musikdirektor te
Hamburg. Zijn vrijwel altijd driedelige klaviersonates (zonder menuet) zijn van
invloed geweest op Haydn en de jonge Beethoven. De vrije fantasie (Clavier-Sonaten
und freie Fantasien) heeft hij een grote plaats in zijn scheppen gegund. Voor
hem was muziek de taal van het gevoel: hij wilde menselijke hartstochten
opwekken en tot rust brengen. Daarmee behoort hij geheel tot de periode van de
Empfindsamkeit .
Johann Christian Bach
Johann Christian
(Leipzig 1735 - Londen 1782), naar de steden waar hij werkte wel de Milanese of
Londense Bach genoemd, componist, organist en klavierspeler, jongste zoon van
J.S. Bach en diens tweede vrouw, Anna Magdalena, kreeg zijn eerste klavierlessen
misschien van Joh. Schneider, organist van de Nikolaikerk, of van Joh. Chr.
Altnikol. Na de dood van zijn vader in 1750 werd zijn opleiding voltooid bij
zijn halfbroer Carl Philipp Emanuel te Berlijn. In 1756 ging hij naar Milaan. In
1762 vestigde Bach zich in Londen, waar hij met onderbrekingen als componist aan
het King’s Theatre verbonden was. Samen met de gambist en componist Carl
Friedrich Abel organiseerde hij vanaf 1764 de Bach-Abel-concerten, die tot het
begin van het openbare concertleven behoren. In 1764 hoorde hij in het
koninklijk paleis het klavierspel van de achtjarige Wolfgang Amadeus Mozart, die
veel van hem leerde en op wiens compositiestijl Bach een aanzienlijke invloed
heeft uitgeoefend . Een drietal van Bachs eerste klaviersonates, de Six sonates
pour le clavecin ou le piano forte op. 5 (1768), bewerkte Mozart tot
klavierconcerten.